Geschiedenis

Zoeken naar een rechtvaardige balans tussen solidariteit, individuele autonomie

[Boek] De wortels van de welvaartsstaat

Vlotte toegang tot gezondheidszorg, een goed pensioen, en inkomensbescherming bij ziekte of ouderdom lijken basisrechten, maar zijn dat historisch allerminst. In De wortels van de welvaartsstaat. Het sociaal contract in West‑Europa door de eeuwen heen reconstrueert historicus Eric M. Van der Ven de lange weg naar de moderne sociale zekerheid.

In zijn ambitieuze overzicht van 20 eeuwen sociale voorzieningen toont Van de Ven hoe de opkomst van de welvaartsstaat niet alleen een verhaal van wetten en instellingen is, maar ook een zoektocht naar evenwicht tussen individu en gemeenschap, vrijheid en verantwoordelijkheid.

Brood en zorg

Een van de oudste voorbeelden van sociale voorzieningen waren de annona, de graanbedelingen in het Romeinse Rijk. Deze waren niet ingegeven door altruïsme, maar een pragmatische ingreep om de stabiliteit van de staat en de legitimiteit van de heersende klasse te verzekeren, stelt Van der Ven.

De middeleeuwen kenden vooral vormen van gedecentraliseerde zorg voor armen en zieken, zoals gasthuizen, weeshuizen en leprozerieën. Liefdadigheid was een religieuze plicht, eerder dan een recht van de ontvanger of een plicht van de staat.

Ziekenzaal Sint-Janshospitaal
Jan Beerblock, De ziekenzaal van het Sint-Janshospitaal, Brugge, 1778.

In de late middeleeuwen en vroege moderde tijd ontstonden in steden zoals Ieper (1525) meer formele systemen van armenzorg, beheerd door kerkelijke en seculiere autoriteiten en gefinancierd door verplichte bijdragen van alle burgers.

Toegang tot de zorg werd steeds vaker voorbehouden tot ‘waardige armen’: degenen die, door omstandigheden buiten hun schuld, zoals ouderdom, ziekte, of weduwschap, niet in staat waren om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dit in tegenstelling tot de ‘onwaardige armen’, die werden gezien als lui of onwillig om te werken – elke gelijkenis met actuele discussies is geheel toevallig.

De rol van de staat

De industriële revolutie en de opkomst van de natiestaat leidden tot de opkomst van wat we vandaag nog zouden herkennen als sociale bescherming. De Britse Factory Act van 1833 die kinderarbeid verbood was hierin een mijlpaal: voor het eerst erkende een staat zijn rol in het reguleren van industriële activiteiten en het beschermen van kwetsbare werknemers, met name kinderen. In 1847 volgde de Ten Hours Act, die de werkdag voor vrouwen en jongeren onder de achttien jaar beperkte tot tien uur.

Kanselier Otto von BismarckDe vader van de moderne sociale zekerheid is de Duitse 'IJzeren Kanselier' Otto von Bismarck. Om de loyaliteit van de arbeidersklasse aan de staat te verzekeren duwde hij drie wetten door het parlement:

  • de Ziekteverzekeringswet van 1883, die werknemers verzekerde tegen inkomensverlies door ziekte;
  • de Ongevallenverzekeringswet van 1884, die werknemers beschermde tegen de financiële gevolgen van arbeidsongevallen;
  • en de Invaliditeits- en Ouderdomsverzekeringswet van 1889, die een vorm van pensioen introduceerde voor arbeiders vanaf 65 jaar.

De ziekteverzekering en invaliditeits- en ouderdomsverzekering werden gefinancieerd door bijdragen van werknemers en werkgevers.

De ongevallenverzekering kwam uitsluitend ten laste van de werkgevers, omdat de wet dat hen verantwoordelijk achtte voor de veiligheid op de werkplek – een concept dat volgens Van der Ven destijds revolutionair was.

België als laboratorium van verzuilde welvaartsstaat

Een groot deel van het boek is gewijd aan België, dat Van der Ven positioneert als een unieke casestudy binnen West‑Europa. Van der Ven toont hoe de Belgische welvaartsstaat het resultaat is van langdurige onderhandelingen tussen de katholieke, socialistische en liberale zuilen, met elk hun eigen visie op gezin, arbeid, solidariteit en verantwoordelijkheid.

Een vroeg voorbeeld is het Gent‑systeem voor werkloosheidsverzekering, een lokaal initiatief waarbij vakbonden vanaf 1901 de administratieve afhandeling en uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen overnemen. Het systeem werd gefinancieerd door bijdragen van werknemers, werkgevers en de overheid.

Het Gent-systeem stond model voor de veralgemeende werkloosheidsverzekering, met volgens Van der Ven onbedoelde gevolgen. “Vakbonden werden niet enkel vertegenwoordigers van arbeiders, maar ook beheerders van cruciale sociale diensten, wat hun positie binnen de Belgische samenleving en de politieke besluitvorming versterkte.”

Dezelfde evolutie vond plaats in de gezondheidszorgverzekering, waar België voortbouwde op de vele lokale ziekenfondsen. Deze fondsen hadden meestal een band met de katholieke, socialistische of liberale partijen in plaats van dat er een nationaal gezondheidssysteem werd uitgetekend.

Dit had als voordeel “dat het de verschillende ideologische zuilen in staat stelde hun eigen voorzieningen en benaderingen van gezondheidszorg te ontwikkelen binnen een algemeen wettelijk kader.”

Van historicus naar maatschappijkritische stem

In de passages over vakbonden en ziekenfondsen liet de auteur zijn persoonlijke overtuiging al doorschemeren, en in de laatste hoofdstukken neemt Van der Ven nadrukkelijk zijn hoed van historicus af en zet die van maatschappijkritische observator op.

Hij wijst op een paradox: enerzijds wil men de rol en de macht van de overheid terugdringen tot haar ‘kerntaken’ – wat dat ook mogen zijn; anderzijds wordt bij elke gebeurtenis of maatschappelijk fenomeen naar de overheid gekeken. “Zo wordt de overheid gevangen in een vicieuze cirkel: steeds hogere verwachtingen en verantwoordelijkheden leiden tot een zwaardere belastingdruk, wat op zijn beurt leidt tot toenemende onvrede over de belastingdruk en de effectiviteit van de overheid.”

Enerzijds wil men de rol en de macht van de overheid terugdringen tot haar ‘kerntaken’; anderzijds wordt bij elke gebeurtenis of maatschappelijk fenomeen naar de overheid gekeken.

Van der Ven gaat vervolgens in op de (bekende) uitdagingen van het socialezekerheidssysteem: de vergrijzing als 'tikkende tijdbom' onder het pensioenstelsel, de werkloosheidsuitkering als vangnet versus hangmat. Ook de gezondheidszorg krijgt een scherpe analyse: het systeem is slachtoffer van zijn eigen succes, met langere levensverwachting, meer chronische aandoeningen en een exponentieel groeiende zorgvraag. Daarbij komen de stijgende kost van behandelingen en geneesmiddelen, en de nood aan veel toegankelijkere geestelijke gezondheidszorg.

In zijn bespreking van de standpunten van verschillende politieke gezindtes over sociale zekerheid en zorg klinkt een duidelijk normatief appel door: het zoeken naar een rechtvaardige balans tussen solidariteit, individuele autonomie en grenzen aan marktwerking in de zorg.

Voor de auteur kan dat niet zonder een “hecht gemeenschapsgevoel” dat “cohesie, solidariteit en het vermogen om gedeelde waarden en doelen na te streven” bevordert. Hij koppelt dat aan “civiel nationalisme”, een identiteit die niet (louter) bepaald wordt door afkomst en etniciteit maar door “gedeelde waarden, normen en verantwoordelijkheden binnen een samenleving.” Over wat die gedeelde waarden en normen dan wel mogen zijn, blijft hij vaag.

Herhaling en inconsistentie

Tegenover de inhoudelijke ambitie van het boek staan enkele duidelijke zwaktes. Een eerste is de overvloed aan herhalingen. Bepaalde redeneringen – zoals de manier waarop keizers in de Late Oudheid via zorg voor de bevolking hun politieke legitimiteit versterken – worden in licht andere bewoordingen meerdere keren uitgewerkt.

Van maatregelen tijdens de Grote Depressie wordt binnen het bestek van drie pagina's vijf keer benadrukt dat ze “geen breuk met het verleden” vormden. De Belgische premier Auguste Beernaert (1884-1894) wordt op dezelfde pagina twee keer als “vooraanstaand lid van de Katholieke Partij” geïntroduceerd. Dat soort redundantie vertraagt de lectuur en had met een alerte eindredactie makkelijk kunnen worden weggewerkt.

Cover Eric Van de VenEen tweede probleem is inhoudelijke inconsistentie. De auteur vindt het duidelijk problematisch dat vakbonden en ziekenfondsen in België van bij het begin betrokken werden bij het beheer en de uitkering van de sociale zekerheid.

Dat is echter mede te verklaren doordat deze instellingen op lokaal vlak al bottom-up aan sociale zekerheid deden lang voor de staat zich ervoor interesseerde, en het dus efficiënter was om hun rol te versterken dan om ee parallel overheidsapparaat uit te bouwen.

Dergelijk 'medebeheer' is geen exclusief Belgisch fenomeen: 150 pagina’s daarvoor heeft Van der Ven beschreven hoe ook in Duitsland het beheer van de prille sociale zekerheid werd toevertrouwd aan ziekenfondsen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen.

België is wellicht een uniek historisch experiment te noemen, maar toch niet in deze context.

Eric M. Van der Ven, De wortels van de welvaartsstaat. Het sociaal contract in West-Europa door de eeuwen heen. Acco, 2025.

Wat heb je nodig

Krijg GRATIS toegang tot het artikel
of
Proef ons gratis!Word één maand gratis premium partner en ontdek alle unieke voordelen die wij u te bieden hebben.
  • checkwekelijkse newsletter met nieuws uit uw vakbranche
  • checkdigitale toegang tot 35 vakbladen en financiële sectoroverzichten
  • checkuw bedrijfsnieuws op een selectie van vakwebsites
  • checkmaximale zichtbaarheid voor uw bedrijf
Heeft u al een abonnement? 
Geschreven door Erik Derycke30 januari 2026

Meer weten over

Print Magazine

Recente Editie
05 december 2025

Nu lezen

Ontdek de nieuwste editie van ons magazine, boordevol inspirerende artikelen, diepgaande inzichten en prachtige visuals. Laat je meenemen op een reis door de meest actuele onderwerpen en verhalen die je niet wilt missen.

In dit magazine