“Ik zeg vaak met een knipoog dat het mijn doel was om mijzelf als vrijwilliger ‘overbodig’ te maken"
Meer dan twintig jaar was dr. Herman Kuppers als vrijwilliger in India actief in de slums van New Delhi, Bhubaneswar en Chennai. Daar heeft hij meegewerkt aan verschillende projecten die de lokale bevolking een betere toegang tot gezondheidszorg moesten geven. Vooral gehandicapte kinderen kregen zijn aandacht. “Ik zeg vaak met een knipoog dat het mijn doel was om mijzelf als vrijwilliger ‘overbodig’ te maken", aldus de huisarts in ruste.
Kuppers heeft een lange geschiedenis als het aankomt op sociale betrokkenheid. Jarenlang heeft hij zich in de omgeving van Houthalen ingezet voor personen in de marge van de maatschappij, en gaf hij onder andere les anatomie aan de UHasselt.
Rond 2000 werd hij gevraagd om als arts een project voor kinderen met een handicap in India ter plaatse te beoordelen. “Toen ik in India aankwam zag ik hoe men daar omging met gehandicapte kinderen. Op een kind met een handicap rust namelijk een taboe, en daarover spreken is niet altijd vanzelfsprekend. Deze kinderen werden niet als volwaardig mens behandeld, maar schaamtevol thuis verborgen. Ik besloot mij aan te sluiten bij de organisatie Ruchika en mij te richten op het helpen van kinderen met een handicap en hen uit de anonimiteit te halen.”
Sindsdien reisde hij samen met kinesist Valentin Schroyen meerdere keren per jaar naar India. “Ik gaf daarbij ondersteuning aan kinestudenten van de UHasselt en we organiseerden ook 'inleefreizen'. We trokken de slums in om patiënten thuis te bezoeken. Daarnaast werkten we mee aan verschillende lokale projecten, zoals de bouw van 'speciale' toiletten, want meisjes en vrouwen lopen in een slum groot gevaar", aldus Kuppers.
“Een andere belangrijke realisatie was de aanleg door de mensen zelf van een speeltuin die volledig toegankelijk is voor gehandicapte kinderen. Door hun beperking konden zij vaak niet buitenspelen en bleven ze geïsoleerd thuis. Met een aangepaste speelplek haalden we hen uit dat isolement en brachten we hen in contact met leeftijdsgenootjes. Bovendien groeide de speeltuin uit tot een ontmoetingsplek voor moeders uit de buurt.”
Kastenstelsel
Volgens Kuppers speelt het Indiase kastenstelsel een negatieve rol in de behandeling van kinderen met een handicap. “In India gelooft men in reïncarnatie, en het hebben van een handicap wordt vaak gezien als een straf uit een vorig leven. Patiënten worden dus uit schaamte verborgen gehouden en hebben daardoor zeer beperkte toegang tot gezondheidszorg. Daarnaast bereiken overheidsprogramma’s gericht op preventie deze groep nauwelijks, terwijl die groep juist gebaat is bij preventieve behandelingen. Ook de kastelozen (de overgrote meerderheid in elke slum) die diep in de sloppenwijken leven, staan onderaan de sociale ladder en hebben nauwelijks toegang tot medische zorg.”
Volgens Kuppers zijn de medische kosten voor behandelingen voor veel mensen in de sloppenwijken onbetaalbaar. Hij illustreert dit met het voorbeeld van zwangere vrouwen: “Veel vrouwen moeten noodgedwongen thuis bevallen, in onhygiënische en kwetsbare omstandigheden. Bevallen in het ziekenhuis is voor hen financieel niet te betalen. Ik kwam daardoor regelmatig in aanraking met kinderen die een handicap hebben als gevolg van zwangerschapscomplicaties.”
Om de gezinnen in de slums te ondersteunen, richtte Kuppers een gemeenschappelijke ziektekas op. Elk gezin betaalde 200 roepie per jaar, waarmee ze toegang kregen tot medische zorg. “Later heeft de gemeenschap dit bedrag op eigen initiatief verhoogd naar 250 roepie, waardoor de drempel nog verder werd verlaagd”, licht de huisarts toe.
'Overbodig'
Momenteel is Kuppers via vzw Bodhi-Project nog betrokken bij verschillende lokale ngo’s in India. Daarbij is de revalidatie van kinderen met een handicap zijn primaire focus, naast de strijd tegen kinderarbeid, -misbruik en -prostitutie.
'Ik heb altijd gevoeld dat ik niet de buitenlandse specialist wilde zijn die even mee komt lopen en weer vertrekt'
– Herman Kuppers
“Ik zeg vaak met een knipoog dat ik mijzelf als vrijwilliger ‘overbodig’ moet maken. Ik heb altijd gevoeld dat ik niet de buitenlandse specialist wilde zijn die even mee komt lopen en weer vertrekt. We richten ons naast het kind daarom óók op kennisoverdracht aan ouders en de lokale gezondheidsmedewerkers”, zegt Kuppers.
“Zo herinner ik mij een jongetje dat werd geopereerd door een buitenlandse chirurg. Wat mij echter opviel was dat er geen enkele vorm van opvolging was voorzien: geen oefeningen voor thuis, geen begeleiding, niets. De 'nodige' krukken hingen simpelweg aan een muur. Wij hebben dat anders aangepakt. Eerst gingen we in zijn huis overleggen met het kind en we betrokken de ouders én de lokale gezondheidsmedewerkers actief bij de revalidatie van het jongetje, om de voortgang zoveel mogelijk te garanderen. Na de ingreep kreeg hij van ons een stok om opnieuw mee te leren stappen. Enkele weken later, terug in de sloppenwijk, wandelde hij zonder stok zelfstandig naar mij toe. Dat was een bijzonder, krachtig moment. Het illustreerde perfect ons uitgangspunt: onszelf uiteindelijk overbodig maken”, besluit Kuppers.
