Down to memory lane...
De ochtend na een avondje weg met een paar oud-studiegenoten geneeskunde heeft iets licht diagnostisch. Niet omdat iemand per se ziek is, maar omdat we plots allemaal klinisch naar onszelf beginnen te kijken. Misschien wat hoofdpijn hier, met zekerheid iets te weinig slaap daar. Iemand die voorzichtig inschat of koffie al verantwoord is als therapie. De sfeer is mild, licht vertraagd, en iedereen kijkt een beetje alsof hij zijn eigen differentiaaldiagnose aan het opstellen is.
De avond voordien was zoals vroeger. Onbezorgder, wat ontremd. Alleen was het niet meer zoals vroeger. We zijn ruwweg twintig jaar verder, deel van een gezin, soms met kinderen. Intussen zijn we allemaal arts geworden. Echte artsen, met echte patiënten, wachtdiensten, dossiers en agenda’s waarin het woord “vrij” meestal betekent dat er toevallig geen vergadering gepland staat.
Het gesprek begon die ochtend zoals dat gaat bij artsen. Met werk. Wie werkt hoeveel, wat is de administratieve last (die plant zich overal net iets harder voort dan wijzelf)? Er kwamen anekdotes over patiënten – liefdevol, soms licht absurd, soms ontroerend herkenbaar. Over de patiënt die binnenkomt met een verkoudheid en buiten stapt met een diagnose, een voorschrift en een halve levensgeschiedenis.
En toen zei iemand, half lachend maar niet helemaal: “Eigenlijk vreemd dat we hiér nooit les over hebben gehad.” Niet over hoofdpijn na een avondje uit. Maar over de mens achter de arts.
Tijdens onze opleiding leerden we indrukwekkend veel. Hoe je een hart onderzoekt. Hoe je een differentiaaldiagnose opstelt. Hoe je een patiënt geruststelt terwijl je zelf nog niet helemaal zeker weet wat er aan de hand is. We leerden slecht nieuws brengen. We leerden verantwoordelijkheid dragen. We leerden functioneren onder tijdsdruk.
Maar hoe je als arts zelf blijft functioneren, dat "vak" ontbrak opvallend in het curriculum.
'Hoe gaat het eigenlijk met u?'
Intervisie? Niet echt. Supervisie? Ja, maar meestal in de klassieke hiërarchische vorm: iemand met meer ervaring en wat meer titels die je er vriendelijk op wijst dat je nog drie diagnoses vergeten bent die voorkomen bij één patiënt op een miljoen.
Een plek waar je gewoon even kan zeggen: “Vandaag was lastig." "Hoe doen jullie dat eigenlijk?” "Ik denk dat ik een fout gemaakt heb vandaag." Die stond niet in het lessenrooster.
Dat is ergens merkwaardig voor een beroep dat zo sterk gelooft in preventie. We screenen bevolkingen, we monitoren risico’s, we adviseren patiënten om goed voor zichzelf te zorgen. Alleen de arts zelf leek lange tijd een soort klinische uitzondering.
Gelukkig verandert er stilaan iets. Er zijn ondertussen initiatieven waar artsen met artsen praten – niet als supervisor en assistent, maar gewoon als collega’s. In Vlaanderen is Dokters voor Dokters daar een mooi voorbeeld van: een netwerk waar artsen terechtkunnen voor ondersteuning wanneer het moeilijk wordt. Niet omdat ze hun beroep niet aankunnen, maar net omdat ze het zo ernstig nemen.
Het is een simpel idee, eigenlijk. Artsen die voor artsen zorgen. En terwijl we daar die ochtend zaten – met koffie, lichte vermoeidheid en het collectieve besef dat we straks weer patiënten zouden zien – dachten we eigenlijk hetzelfde. Misschien hoeft het geen nieuw vak te worden. Geen examen. Geen studiepunten. Misschien volstaat iets veel eenvoudigers. Wat sofagesprekken tijdens de opleiding. Een paar uur waarin enkele ervaren artsen gewoon vertellen hoe het er écht aan toegaat eens het diploma op zak is. Over verantwoordelijkheid, twijfel, fouten, vermoeidheid, en over het feit dat het soms zwaar is.
Niet om studenten bang te maken. Maar om hen één geruststellende boodschap mee te geven: dat zelfs artsen af en toe iemand nodig hebben die zegt: “Hoe gaat het eigenlijk met u?"