Philip Tavernier (DGEC)
“Als wij twijfelen over de intentie, gaan we er niet van uit dat het om fraude gaat"
Eind maart neemt Philip Tavernier afscheid als leidend ambtenaar van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle (DGEC) bij het RIZIV. Een van zijn laatste daden was de voorstelling van het jaarverslag 2025 van de DGEC. Artsenkrant had een gesprek met de fraudebestrijder van het RIZIV.

Een van de opvallende trends in het jaarverslag is dat de bedragen per afgesloten dossier hoger worden. Hoe is dat te verklaren?
Philip Tavernier: Er zijn meerdere verklaringen, onder meer onze systematische risicoanalyses en betere prioriteitenbepaling. Wat we ook merken, is dat de fraude de laatste jaren toeneemt. We krijgen meer dossiers die we doorsturen naar het arbeidsauditoraat, omdat zij bevoegdheden hebben die wij niet hebben, bijvoorbeeld om bankrekeningen te onderzoeken. Tegelijk zien we ook dat het arbeidsauditoraat zelf meer dossiers opstart, bijvoorbeeld bij vermoedens van witwaspraktijken waarbij zorgverleners betrokken zijn.
Enkele recente fraudezaken hebben de algemene pers gehaald. Daar werd dan wel eens gezegd dat de DGEC veel te traag werkt en sneller naar het gerecht zou moeten stappen.
Als je aan zo’n dossier begint, kan je niet weten hoe het uiteindelijk zal aflopen. Achteraf is het makkelijk zeggen “had je dit of dat maar gedaan”. Maar als we nakijken wat we wél konden doen, kom ik tot de conclusie dat we juist gehandeld hebben.
De thuisverpleegkundige in Houthulst was in het begin een dossier zoals we er honderden hebben. We hebben fraude vastgesteld, en dat eerste fraudedossier heeft ze volledig terugbetaald. Toen er een tweede keer fraude werd vastgesteld, hebben we de uitbetaling via de derdebetalersregeling opgeschort. Een zorgverstrekker kan dan nog prestaties aanrekenen, maar het geld gaat op een beheerrekening bij de mutualiteiten terwijl wij het onderzoek afwerken.
Toch is ze erin geslaagd dit te omzeilen. Zij vroeg terugbetalingen namens patiënten. De ziekenfondsen betaalden rechtstreeks aan haar patiënten, die zij onder druk zette om het geld aan haar te geven. Dat was voor ons volledig nieuw; in het begin zagen we dat mechanisme niet. Bovendien is er een vertraging in de gegevens: je kan vandaag nog factureren voor prestaties van twee jaar terug, en daarna duurt het nog eens vier maanden voor wij de gegevens zien.
Eerst wou het arbeidsauditoraat dat dossier niet overnemen, omdat de fraude niet alleen ging over “niet uitgevoerde prestaties”. Dat kan iedereen nagaan: je bent bij de patiënt geweest of niet. Maar het ging ook over zorgbehoeften, inschaling op de Katz-schaal en W‑waarden – dat is medisch‑inhoudelijk en complex. We werken overigens heel goed samen met het arbeidsauditoraat.
Om dergelijke gevallen te voorkomen, voorziet de Kaderwet van minister Vandenbroucke de mogelijkheid om het RIZIV-nummer te schorsen. Dat vindt u dan wellicht een goede zaak?
Ik denk dat het een goede stap is. Er wordt wel eens gezegd dat de minister of het RIZIV dat nummer kunnen schorsen, maar dat is niet correct. We hebben er bewust voor gekozen – ook voor lage bedragen – dat de leidend ambtenaar die bevoegdheid niet krijgt, omdat het een ingrijpende maatregel is. De bevoegdheid ligt bij de Kamers van Eerste Aanleg en Beroep. Daarin zitten, onder voorzitterschap van een magistraat, ook vertegenwoordigers van patiënten, mutualiteiten en zorgverleners.
De schorsing wordt mogelijk als het betwiste bedrag hoger is dan 35.000 euro. Artsen maken zich zorgen dat ze bij technische prestaties die ze verkeerd aanrekenen over een periode van een of twee jaar al snel aan dat bedrag zitten.
Het is belangrijk het onderscheid te maken tussen fouten en fraude. We hebben dossiers van honderdduizenden euro’s waarbij het puur om een administratieve fout gaat. Dan vragen wij om terugbetaling en wordt het dossier afgesloten. Als wij twijfelen over de intentie, gaan we er niet van uit dat het om fraude gaat. Alleen bij intentionele fraude volstaat het niet dat je het bedrag terugbetaalt, en moet er ook een sanctie volgen.
We vinden het ook belangrijk dat er transparantie is. Je kunt moeilijk mensen – zowel patiënten als zorgverleners – ter verantwoording roepen als ze niet alle informatie hebben. In het vorige actieplan Handhaving stond al dat artsen moeten weten wat er al is aangerekend op naam van een patiënt. Je kunt niet zeggen: “Je hebt te veel MRI’s bij die patiënt gedaan”, terwijl de arts niet kan weten dat er de week daarvoor al een MRI was gemaakt. Dat is geen medisch geheim, volgens ons, maar puur facturatie‑informatie. Toch zien we weerstand om die informatie te delen.
Naast controle van individuele dossiers doet de DGEC ook sensibiliseringsacties. Zijn daar voorbeelden van?
In 2025 was semaglutide een belangrijk topic voor ons. Onze analyses laten zien dat het om heel kleine groepen gaat, maar met groot misbruik: sommige patiënten halen in een paar maanden tijd bij honderden apotheken meer dan zeshonderd doosjes semaglutide. Als je weet dat 99% daarvan voorschriften op papier zijn, weet je bijna zeker dat het om vervalsingen gaat. Maar er zijn ook apothekers die veel te veel dosissen per patiënt afleveren. Die dossiers controleren we.
Daarnaast vinden we het ook belangrijk om de hele keten – artsen, apothekers en patiënten – te sensibiliseren over oneigenlijk gebruik. Semaglutide is effectief om te vermageren, maar er zijn regels voor het voorschrijven en de terugbetaling. Die zijn niet door het RIZIV of de DGEC ingesteld, maar door de vertegenwoordigers van de zorgverleners en de mutualiteiten. Wij kijken alleen na of de regels gevolgd worden.
'Je mag niet van een huisarts verwachten dat hij iets moet aanklikken om te voorkomen dat er een raadpleging wordt aangerekend'
We volgen ook de effecten van eerdere acties op. Een typisch voorbeeld zijn de “outliers” in de aanrekening van honoraria voor dringende raadplegingen en bezoeken. Het gaat over een zeer kleine groep: 1,6% van de huisartsen genereert 19% van alle dringende aanrekeningen.
We hadden in 2021 al een eerste sensibiliseringsactie gedaan. Artsen die hun gedrag niet veranderden, kregen controle. Daarnaast was er een nieuwe groep “outliers”: vooral jonge artsen die gestart zijn na de vorige actie. Dat leidt er nu toe dat we sensibiliseringscampagnes willen herhalen en vooral nieuwe artsen bereiken. We overwegen ook om via universiteiten relevante boodschappen al in de opleiding te verankeren.
In controledossiers zien we ook dat sommige softwarepakketten automatisch een consultatie aanrekenen wanneer een huisarts bijvoorbeeld 's avonds een labo‑uitslag bekijkt van een patiënt die hij die ochtend heeft gezien. We willen nu duidelijke richtlijnen geven voor softwareleveranciers: dergelijke automatische aanrekening wordt niet meer toegestaan. Je mag niet van een huisarts verwachten dat hij iets moet aanklikken om te voorkomen dat er een raadpleging wordt aangerekend.
Werken jullie samen met de Orde?
We sturen de Orde der artsen en de Orde der apothekers systematisch al onze eindbeslissingen door. Als we daarnaast inbreuken opmerken die zuiver deontologisch zijn en waar wij niet bevoegd zijn omdat er geen aanrekening was, dan sturen we die eveneens direct door. Zo hadden we een dossier van een psychiater die als “behandeling” patiënten met een busje liet ophalen en ze in zijn eigen tuin aan het werk zette. Dat soort dossiers sturen we door naar de Orde.
Philip Tavernier
Na zijn studies geneeskunde wou Philip Tavernier (1970) eerst twee jaar iets anders doen voor hij aan de haio-opleiding (toen nog hibo) zou beginnen. “Ik zocht deels avontuur, deels iets nuttigs. Ik heb eerst zes maanden voor Artsen zonder Grenzen in Angola gewerkt, en daarna zeven jaar voor Geneeskunde voor de Derde Wereld in Mexico. Daarna werkte ik opnieuw voor Artsen zonder Grenzen: hiv-projecten, malaria in Benin… Die twee jaar zijn er twaalf geworden.”
Aan die buitenlandse projecten kwam abrupt een einde. “In 2008 wilden we met Artsen zonder Grenzen in China een project rond multiresistente tuberculose opstarten. In bepaalde gebieden bedroeg de primoresistentie 6,5%, wat enorm hoog is. Primoresistentie wil zeggen dat de bacteriën waarmee je geïnfecteerd bent resistent zijn tegen antibiotica terwijl je zelf nooit antibiotica hebt genomen.”
“Toen ik van een vergadering uit België terugkeerde, mocht ik China niet meer binnen. Onze administratief verantwoordelijke overkwam hetzelfde. Een officiële uitleg is er nooit gekomen, maar we vermoeden dat ze bang waren dat we – enkele maanden voor de Olympische Spelen – over resistente tuberculose zouden communiceren.”
Terug in België werkte Tavernier nog even voor Artsen zonder Grenzen, en werd dan bij Fedasil medisch coördinator voor de achttien federale opvangcentra. Daarna werkte hij voor Vreemdelingenzaken, waar hij aanvragen voor een medisch visum beoordeelde. “Dat aantal aanvragen verminderde echter van jaar tot jaar. Ik heb dan werk gezocht bij het RIZIV. Het is nooit mijn bedoeling geweest om leidend ambtenaar van de DGEC te worden. Er is drie keer een vacature uitgeschreven. Pas bij de derde keer heb ik gesolliciteerd.”
Vanaf april gaat Tavernier voor het Vlaamse Departement Zorg werken. “Bij de afdeling preventief gezondheidsbeleid wordt het team voor vaccinatie en infectiebestrijding gesplitst. Ik ga een team van 35 ervaren mensen leiden dat zich bezighoudt met infectieziektebestrijding. Dat brengt me dus opnieuw bij infectieziekten.”