Conventiecijfers: Kloof tussen specialismen vergroot
De toetredingscijfers voor de nationale akkoorden en overeenkomsten zorgverleners-ziekenfondsen werden op maandag 23 maart voorgelegd aan het Verzekeringscomité van het RIZIV. Hoewel de globale conventiegraad onder artsen stabiel blijft, daalt het aantal geconventioneerde artsen in bepaalde specialismen.
De grote meerderheid van de artsen (85,72%) treedt volledig of gedeeltelijk toe tot het akkoord 2026-2027. Dat cijfer is vergelijkbaar met voorbije jaren: voor het akkoord 2024-2025 bedroeg de globale conventioneringsgraad 86,26%. Globaal is er in bijna alle gewesten een heel lichte toename van het aantal deconventioneringen.

Huisartsen vs. specialisten
Huisartsen hebben traditioneel een zeer hoge conventioneringsgraad, en dat is ditmaal niet anders. Van de 25.221 actieve huisartsen is 92,31% geconventioneerd (tegenover 92,59% bij de start van het vorige akkoord). De regionale verschillen zijn beperkt: 93,89% in Vlaanderen, 91,16% in Wallonië en 89,45% in Brussel.
Van de 38.313 actieve artsen-specialisten (artsen-specialisten in opleiding inbegrepen) is 81,39% geconventioneerd, een lichte daling tegenover het akkoord 2024-2025, toen 82,05% tot het akkoord toetrad. Zonder de ASO’s bedraagt de globale conventiegraad bij specialisten 77,70% (78,12% in 2024).
De regionale verschillen zijn bij artsen-specialisten meer uitgesproken. De conventioneringsgraad bij artsen-specialisten (ASO’s niet meegerekend) bedraagt in Vlaanderen slechts 72,60%; in Wallonië is dat 84,47% en in Brussel 79,37%.
Vlaamse huisartsen kiezen dus iets vaker voor conventionering dan hun collega’s in de andere regio’s, terwijl dat bij artsen-specialisten net omgekeerd is.
Verschillen tussen specialismen
Het globale conventioneringscijfer voor artsen-specialisten verbergt zeer grote verschillen tussen disciplines. De specialismen met de laagste conventioneringsgraad zijn dermatologie (27,89%), oftalmologie (37,75%), plastische chirurgie (45,03%), gynaecologie en verloskunde (52,84%) en orthopedie (53,22%).
Bij de dermatologen is de conventioneringsgraad met bijna 10% gedaald ten opzichte van het vorige akkoord, toen 30,96% toetrad. Verder in dit nummer leest u meer over de specifieke problematiek van dermatologen. In zes arrondissementen kozen alle dermatologen voor deconventionering: Oudenaarde, Diksmuide, Roeselare, Huy, Marche-en-Famenne en Neufchâteau.
In nog drie specialismen is de conventiegraad met 5% of meer gedaald in vergelijking met het vorige akkoord: orthopedie, urologie en NKO.
In andere, vaak ‘hospitalocentrische’ specialismen ligt de conventioneringsgraad dan weer bijzonder hoog: anesthesie-reanimatie (97,07%), geriatrie (99,43%), medische oncologie (98,36%), inwendige geneeskunde en endocrinologie (97,35%), klinische biologie (99,07%) pathologische anatomie (97,35%), en acute geneeskunde/urgentiegeneeskunde (98,52%). Slechts 3 van de 526 actieve geriaters kozen voor volledige deconventionering, en 2 zijn gedeeltelijk geconventioneerd.
Gedeeltelijke conventionering
Een andere nuance die verloren gaat in de globale cijfers is de keuze voor gedeeltelijke conventionering – een mogelijkheid die minister Vandenbroucke in de eerste versie van zijn Kaderwet wou afschaffen, maar die na protest van de artsensyndicaten behouden blijft.
Van de geconventioneerde artsen is 97,07% volledig geconventioneerd en 2,93% gedeeltelijk geconventioneerd. Deze verhouding is quasi identiek als bij de start van het vorige akkoord. De keuze voor gedeeltelijke conventionering situeert zich vooral bij bepaalde specialismen: gynaecologie-verloskunde (21,79% gedeeltelijk geconventioneerd), orthopedie (20,23%), urologie (18,47%), NKO (16,67%) en dermatologie (16,73%). Bij de huisartsen kiest slechts 0,44% voor gedeeltelijke conventionering.
Andere sectoren
Ook de cijfers voor andere sectoren werden op het Verzekeringscomité voorgelegd.
60,48% van de tandartsen heeft zich geheel of gedeeltelijk aangesloten bij het Nationaal akkoord tandheelkundigen-ziekenfondsen. Dit is een stijging ten opzichte van 2024, toen 56,97% van de tandartsen zich aansloot. Ook het conventioneringspercentage van de specialisten in orthodontie neemt toe: 43% voor het akkoord 2026-2027, terwijl dit in 2024 slechts 20% bedroeg.
Het aantal arrondissementen waar meer dan 50% van de tandartsen deconventioneert, daalt van elf naar zes arrondissementen (Antwerpen, Mechelen, Turnhout, Sint-Niklaas, Roeselare en Neufchâteau).
Bij de logopedisten treedt 84% toe tot de nieuwe overeenkomst. In 2024 was dat nog maar 67,38%.
Bij de vroedvrouwen treedt 88,91% toe. Ook dat is een stijging in vergelijking met 2025, toen 82,60% van de vroedvrouwen toetrad.