Advocaat-generaal Cassatie: "OCMW kan patiënt zijn"
Het OCMW kan een patiënt zijn. Deze op het eerste gezicht merkwaardige uitspraak deed een advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie in zijn conclusies van 9 maart 2026 naar aanleiding van een geschil tussen het OCMW van Sint-Jans-Molenbeek en een niet nader genoemd ziekenhuis.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het geschil gaat over artikel 2277bis van het oud Burgerlijk Wetboek over verjaringstermijnen. Dat artikel bepaalt dat de rechtsvordering van verzorgingsverstrekkers met betrekking tot de door hen geleverde geneeskundige verstrekkingen, diensten en goederen, daar inbegrepen de vordering wegens bijkomende kosten, verjaart ten overstaan van de patiënt door verloop van een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf het einde van de maand waarin deze zijn verstrekt.
Dezelfde bepaling is van toepassing voor geneeskundige verstrekkingen welke door een verplegings- en verzorgingsinstelling worden geleverd.
Welke interpretatie moet echter worden gegeven aan ‘patiënt’ in de zin van deze bepaling? Wanneer een OCMW op basis van de OCMW-wet moet instaan voor de schulden van iemand die recht heeft op bijstand door het OCMW, zou volgens het OCMW die bepaling ook op haar van toepassing zijn.
En in dat geval zou de schuldvordering van het ziekenhuis voor verstrekte prestaties al verjaren na twee jaar, en niet na het verstrijken van de veel langere burgerrechtelijke verjaringstermijnen.
De conclusie van de advocaat-generaal
In zijn conclusie verwees de advocaat-generaal naar een arrest van het Hof van Cassatie van 28 november 2003. Hierin besliste het Hof dat het woord patiënt in artikel 2277bis oud BW moet worden begrepen als zijnde "iedere persoon die jegens de verzorgingsverstrekker de verstrekkingen moet betalen, tenzij de vordering tot betaling jegens hem door een bijzondere bepaling is geregeld."
In dat arrest werden ouders als patiënt beschouwd voor de betaling van de honoraria voor de verstrekkingen aan hun kinderen.
In het geschil tussen het OCMW van Sint-Jans-Molenbeek en het ziekenhuis zijn de woorden ‘tenzij de vordering tot betaling door een bijzondere bepaling is geregeld’ echter van belang. In dit geschil gaat het om iemand die illegaal in het land verbleef en dringend medische verzorging nodig had.
In de wetgeving die dringende medische hulpverlening regelt, is uitdrukkelijk bepaald dat een OCMW niet instaat voor financiële hulp aan zo’n persoon. Bijgevolg kan er in deze context geen sprake zijn van een toepassing van artikel 2277bis, aldus de advocaat-generaal. Het OCMW is in dit geval niet de patiënt.
Zijn veeartsen zorgverstrekkers?
Artikel 22277bis wordt ook in andere contexten ingeroepen om aan de betaling van een schuldvordering te ontsnappen. En soms met succes. Zo oordeelde de vrederechter van Eeklo ooit dat ‘diergeneeskundige verstrekkingen’ zijn inbegrepen in artikel 2277bis ‘om de eenvoudige reden dat zij niet uitgesloten zijn’ (21 februari 2008).
Ook al oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 12 november 2007 reeds dat een veearts geen zorgverstrekker als bedoeld in artikel 2277bis is. Men zou ook kunnen argumenteren dat een dier geen ‘patiënt’ kan zijn…
Referentie: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260309:3F.3