Vandenbroucke verdedigt federale artsenquota
Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke verdedigt de verdeling van de federale artsenquota over de gemeenschappen. Die zijn volgens hem ook belangrijk om de kwaliteit van de opleiding te garanderen.
Zoals Artsenkrant al berichtte, heeft de regering de federale quota voor de vervolgopleidingen geneeskunde voor de jaren 2032-2033, vastgesteld op 1.427 kandidaten voor Vlaanderen en 1.089 kandidaten voor de Franse Gemeenschap.
In de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen van de Kamer kreeg minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vragen over de verdeling tussen Vlaanderen en Franstalig België.
Volgens Dominiek Sneppe (VB) betekent dit dat Vlaanderen in verhouding tot de bevolking relatief minder artsen toegewezen krijgt, terwijl aan Franstalige zijde een veel sterkere groei wordt toegestaan. “Nochtans heeft Vlaanderen zich jarenlang loyaal opgesteld door via een toelatingsexamen de instroom in de geneeskundestudies te reguleren, in lijn met de federale quota”, aldus Sneppe, die de methodologie en de legitimiteit van de Planningscommissie in vraag stelde.
Frieda Gijbels (N-VA) merkte op dat de verdeling (57 % voor Vlaanderen en 43 % voor Wallonië) onder meer verantwoord wordt doordat een arts in Wallonië minder uren presteert dan een arts in Vlaanderen. Ze vroeg zich af of Vandenbroucke vindt dat een arts in Wallonië en een arts in Vlaanderen evenveel waard zijn en dus verondersteld worden even hard en even goed te werken?
Irina De Knop (Anders) wees er onder meer op dat de quota geen rekening houden met specialismen buiten de ziekteverzekering, zoals arbeidsgeneeskunde, verzekeringsgeneeskunde, medische en gerechtelijke expertise en administratieve functies waarvoor klinische ervaring of opleiding vereist is. Meer fundamenteel wilde ze weten of Vandenbroucke, gelet op het tekort aan artsen, het systeem van quota op federaal niveau en de beperking van de instroom in de artsenopleiding nog steeds zinvol vindt.
"Balans wel degelijk legitiem"
Vandenbroucke erkende dat de verdeling van de artsenquota afwijkt van de bevolkingsverhouding (60-40), maar wees er ook op dat bij de tandartsen de verhouding 63 % voor Vlaanderen en 37 % voor de Franse Gemeenschap is. “Als men voor de tandartsen een sterke inhaalbeweging moet doen in Vlaanderen en die leidt tot meer dan 60 % voor Vlaanderen, terwijl het voor de artsen omgekeerd is, dan kan dat in balans wel degelijk legitiem zijn.”
De quota zijn voor hem ook belangrijk om de kwaliteit van de opleiding te garanderen. “Men moet opleidingen niet overspoelen met veel meer studenten dan er uiteindelijk afgestudeerden nodig zijn of dan de opleidingen kunnen absorberen.”
Hij erkende dat de gemiddelde activiteit in Franstalig België voor een aantal disciplines lager is dan in Vlaanderen, bijvoorbeeld voor de huisartsen. “Die verdienen dus gemiddeld minder dan hun collega's in Vlaanderen. Men kan opwerpen dat dat samenhangt met de keuze om iets minder te werken in termen van uren.” De Planningscommissie moet wel degelijk rekening houden met behoeften en de aspiraties inzake werktijd en inkomen uit het veld, zei Vandenbroucke.
De samenstelling van de Federale Planningscommissie wordt momenteel herbekeken, verduidelijkte de minister nog. Een ontwerp-KB daartoe werd voor het eerst besproken op de ministerraad van 13 mei.
De deelstaten zullen zowel bij het aanleveren van de parameters als bij de uitwerking van alternatieve projectiescenario’s actief betrokken worden.