Hartproblemen bij hond en kat
Zoals mensen worden ook onze huisdieren door onze levensgewoonten en door de gespecialiseerde verzorging die ze krijgen ouder en steken ouderdoms-kwalen zoals hartfalen de kop op. Hartkwalen zijn typische ouderdomsziekten die door het baasje niet zo snel worden opgemerkt. Diarree of huidaandoeningen merkt de eigenaar sneller op.
Om hartproblemen te herkennen, moet een baasje op een aantal specifieke symptomen letten. Zo is er sprake van verminderd uithoudingsvermogen, is het dier minder alert, gaat hij hoesten, heeft hij een moeilijke ademhaling, gebrek aan eetlust, nachtelijke onrust, gewichtsverlies tot zelfs bewusteloosheid. Hartfalen treedt geleidelijk op, dus die symptomen ook. We moeten ons dan ook niet verwachten aan plotseling optredende spectaculaire symptomatologie. Toch zijn er ook wat aangeboren hartafwijkingen of congenitale hartaandoeningen die al op vroege leeftijd klachten geven. Hierbij horen o.a. persisterende ductus van Botalli, ventrikel septum defect, aortastenose, enz. Verworven hartaandoeningen bij huisdieren komen ook voor. Denken we maar aan dilatorische cardiomyopathie (DCM), hypertrofische cardiomyopahtie (HCM) en klepaandoeningen. Deze komen voor op latere leeftijd en kunnen primair of secundair zijn.
De werking van het normale hart
Het hart is een specifieke spier die een pompwerking heeft (duwen en zuigen). De hartspier duwt het bloed in ons lichaam naar de organen en van daaruit terug via het hart naar de longen gevoerd. De hartspier is de wand van een holle ruimte verdeeld in vier compartimenten: 2 voorkamers of boezems rechts en links (atria) en 2 kamers of ventricula (ook rechts en links). Tussen boezems en kamers zorgt een kleppensysteem dat het bloed enkel van boezems naar ventrikels kan vloeien; m.a. w het rechter gedeelte van het hart neemt de taak op zich dat het bloed in de longen komt en daar zuurstof opneemt, en het linker gedeelte op zijn beurt zorgt ervoor dat dit bloed in de rest van het lichaam terechtkomt. De kleppen in de aders zorgen dat het bloed van de organen terug naar het hart vloeit.
Voorkomende hartaandoeningen
Aandoeningen van de hartspier doen zich voor onder de vorm van DCM (dilatorische cardiomyopathie) bij oudere honden en HCM (hypertrofische cardiomyopathie) bij katten. DCM uit zich door een vermindering van de contractiekracht van de hartspier. Dat veroorzaakt een daling van de pompfunctie, vooral van de linker ventrikel. Daardoor krijgen we stuwing van de longen met longoedeem tot gevolg. Op lange termijn kunnen er ook problemen ontstaan t.h.v. de rechter ventrikel met stuwing ter hoogte van de grote circulatie waardoor o.a. vrij vocht in de buikholte (ascites) kan voorkomen. Dieren die aan deze aandoening lijden, zijn vaak erg zwak, tonen inspanningsintolerantie en kunnen in een shocktoestand komen. Vatbaar voor deze ziekte zijn voornamelijk raszuivere hondenrassen, met predispositie voor de grote en reuzenrassen zoals dobermann, Duitse herder, Ierse wolfshond, newfoundlander, enz.
Bijzondere diersoorten
Ook bij bijzondere diersoorten zijn hartproblemen beschreven. Bij de fret komt vnl. DCM zeer regelmatig voor met gelijkaardige symptomen als bij de hond. De behandeling wordt doorgaans geëxtrapoleerd uit die van de hond.
Diagnosemiddelen
Bij het stellen van een diagnose van hartfalen bij hond en kat zal de dierenarts zich vooral baseren op een klinisch onderzoek, op radiografie (de grootte van het hart, vocht in de longen), ECG (hoe bewegen elektrische stroompjes door de hartspier) en echografie. Dit is een zeer belangrijk diagnosemiddel om het bewegende hart te onderzoeken en het geeft ons heel wat informatie over de pompfunctie van het hart. Ten slotte hebben we ook de bloeddrukmeting (niet zo evident uit te voeren bij hond of kat) die belangrijke indicaties kan geven over de oorzaak van de aandoening.
Behandeling
Bij het overwegen van een behandeling gaan we ervan uit dat dit geen curatieve behandeling is maar wel een levenskwaliteitsverbeterende behandeling voor zowel de hond en de kat als voor zijn baas. Het dieet zal vooraf opgesteld worden met het doel obesitas te voorkomen en te verhelpen. Algemeen wordt een dieet met een laag zoutgehalte aangeraden. Het is belangrijk dat het huisdier voldoende beweegt, zonder te overbelasten (lopen aan een fiets). Zeer belangrijk is de therapietrouw, waar het baasje vooral verantwoordelijk voor is. De dagelijkse behandeling en de motivatie om het vol te houden is zeer belangrijk. Bij niet regelmatige toepassing van de juiste behandeling treden de symptomen snel weer opnieuw op. Veel baasjes zijn geneigd om de medicatie achterwege te laten als de verschijnselen afnemen. Ze laten zich misleiden, want alleen als de therapie nauwkeurig wordt gevolgd, zullen de effecten ervan blijven duren.