Stand van zaken van dementiereferentieartsen in Vlaanderen
Gennez: gesprek gepland over toekomst dementiereferentiearts
Vlaams Parlementslid Sarah Smeyers (cd&v) vroeg Vlaams minister Caroline Gennez naar een stand van zaken over de dementiereferentieartsen.
Herman Nys, em. prof. medisch recht
Sinds maart 2025 kunnen (huis)artsen in Vlaanderen en Brussel terecht bij een dementiereferentiearts (DRA) voor advies en ondersteuning bij de zorg voor mensen met dementie. De DRA is een ervaren huisarts, geriater, neuroloog of ouderenpsychiater die collega-artsen helpt met medische vragen en verwijzingen naar relevante zorgprofessionals.
Aantal DRA's, aantal in opleiding en aantal adviezen
Vooreerst vroeg Smeyers hoeveel DRA's Vlaanderen telt; hoeveel artsen zich in het voorjaar van 2025 voor een derde opleiding tot DRA inschreven, hoeveel er effectief slaagden, en hoeveel aanvragen voor advies er sinds de start werden geregistreerd.
Minister Gennez antwoordde dat Vlaanderen momenteel 30 DRA's telt, waarvan 8 in West-Vlaanderen, 9 in Oost-Vlaanderen, 6 in Antwerpen, 5 in Vlaams-Brabant en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en 2 in Limburg.
De derde opleiding tot DRA bestaat uit 6 betaalde modules. Het wordt bijgehouden hoeveel artsen de modules hebben doorlopen, maar er is geen 'examen' waarvoor de arts kan slagen.
Sinds de lancering van deze vernieuwde opleiding hebben 41 artsen modules aangeschaft, hebben 34 artsen een of meer modules afgerond en heeft één arts inmiddels alle modules afgerond.
Sinds de start van de DRA zijn er 69 adviesvragen geregistreerd.
De kwaliteit van de ondersteuning
Op de vraag hoe de kwaliteit van de ondersteuning door DRA's wordt gemeten, antwoordde de minister dat het opzetten van een kwaliteitscontrole één van de opdrachten is uit het huidige subsidiebesluit.
Er wordt geïnventariseerd en onderzocht welke ondersteunende tools en voorwaarden er noodzakelijk zijn voor gegevensuitwisseling, dataverzameling en uitvoeren van registratie.
Het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen zal daarvoor een aanbeveling opstellen met daarin een analyse over hoe ondersteunende tools voor gegevensuitwisseling, dataverzameling en uitvoeren van registratie toegepast kunnen worden binnen geïntegreerde dementiezorg op mesoniveau en hoe zorgactoren gemotiveerd kunnen worden om de tools te gebruiken.
Verloop van de samenwerking met andere actoren.
Een andere vraag betrof de wijze waarop de samenwerking tussen DRA en andere actoren zoals geheugenklinieken, thuiszorgdiensten en mantelzorgverenigingen verloopt.
De minister verwees naar het huidige subsidiebesluit waarbinnen de netwerkrol van de DRA wordt onderzocht, waarbij deze fungeert als brugfiguur op het mesoniveau om geïntegreerde, doelgerichte zorg en ondersteuning te bieden aan kwetsbare personen met dementie.
De DRA bouwt daarvoor onder meer een samenwerkingsrelatie uit met de regionale expertisecentra dementie die ook als netwerkorganisatie fungeert.
Om deze netwerkfunctie, de samenwerking met andere relevante actoren uit het zorglandschap, verder vorm te geven zullen ‘good practices’ rond dementiezorg vanuit minstens 5 eerstelijnszones in kaart gebracht worden.
Er zal een syntheseverslag worden aangeleverd door het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen waarin geïnventariseerd en geanalyseerd wordt hoe de netwerk- en brugfunctie geïntegreerd kan worden in de bestaande structuren binnen de eerstelijnszones, en waarin aanbevelingen worden opgenomen voor de DRA werkzaam in andere eerstelijnszones.
Bovendien wordt er binnen het huidige subsidiebesluit ingezet op interdisciplinaire intervisiesessies.
Garanderen van het voortbestaan van DRA
Op de vraag hoe de minister zal garanderen dat de functie van de DRA verder zal blijven bestaan en welke rol ze weggelegd ziet ze voor deze artsen in het toekomstige dementiebeleid, luidde het antwoord: ‘Er zal in het voorjaar van 2026 een gesprek gepland worden met mijn kabinetsmedewerkers en het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen en de betrokken partners om de toekomstplanning te bekijken’.