Duits Federaal Hof stelt vraag aan Europees Hof voor Justitie
Mag reclameverbod voor telebehandelingen vanuit buitenland?
Het Duitse Federaal Hof van Justitie vraagt het Hof van Justitie van de Europese Unie of een verbod op reclame voor behandelingen op afstand door artsen gevestigd in een andere EU lidstaat verenigbaar is met de vrijheid van dienstverlening.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
In een arrest van 26 maart 2026 heeft het Bundesgerichtshof (het Duitse Federaal Hof van Justitie) een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het Hof vraagt of de vrijheid van dienstverlening, zoals geregeld in het Europees Recht, een nationale regeling uitsluit, zoals bepaald in artikel 9 van de Duitse wet op de reclame in de gezondheidszorg.
Dat artikel verbiedt reclame voor behandelingen op afstand door artsen, ook indiend gevestigd in een andere EU lidstaat, indien deze behandelingen op afstand niet voldoen aan de in Duitsland geldende beroepsnormen.
De feiten
Aan de basis van deze vraag ligt een geschil tussen een Duitse vereniging die zich inzet voor het waarborgen van de naleving van de regels van eerlijke concurrentie en waarvan de leden medische verenigingen, artsen en ziekenhuizen zijn, en een bedrijf gevestigd in Duitsland dat een website exploiteert die consumenten in Duitsland de mogelijkheid biedt om een medisch consult (diagnose en behandelingsadvies) aan te vragen voor bepaalde medische aandoeningen (erectiestoornissen, haaruitval, vroegtijdige ejaculatie en acne), en eventueel medicijnen te bestellen via een samenwerkende postorderapotheek.
Voor de behandeling van erectiestoornissen krijgen bezoekers van deze website een "online diagnose" en een recept voor medicijnen aangeboden na het invullen van een online vragenlijst. De "online diagnose" is voornamelijk gebaseerd op een vragenlijst over de gezondheid, symptomen, intoleranties en het huidige medicijngebruik van de gebruiker.
Er vindt geen persoonlijk contact plaats met een van de in Ierland gevestigde partnerartsen, noch een videoconferentie of telefoongesprek tussen patiënt en arts. De in Ierland gevestigde partnerartsen maken een voorschrift op en sturen dit door naar de samenwerkende postorderapotheek, die de verzending van de medicijnen verzorgt.
Eerdere procedure
De eiser stelt dat de reclame van de verweerder in strijd is met artikel 3a van de Duitse Wet tegen Oneerlijke Concurrentie in samenhang met het verbod op reclame voor behandelingen op afstand, zoals vastgelegd in artikel 9 van de Duitse wet op reclame in de gezondheidszorg.
De eiser vordert een gerechtelijk bevel tegen de verweerder om reclame voor de website te verbieden. De Regionale Rechtbank had de vordering afgewezen. In hoger beroep heeft het Hof van Beroep de eiser in het gelijk gesteld. De verweerder ging hiertegen in beroep bij het Federaal Hof.
Prejudiciële vraag van het Federaal Hof
Het Federaal Hof heeft vervolgens een prejudiciële vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Hierin vraagt het Hof of de vrijheid van dienstverlening in de zin van artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een bepaling zoals artikel 9 van de wet op de reclame in de gezondheidszorg uitsluit.
Het verbod, opgelegd aan het in Duitsland gevestigde bedrijf op grond van artikel 9, om in Duitsland reclame te maken voor de behandeling van een medische aandoening door artsen die in Ierland gevestigd zijn en verbonden zijn aan het Duitse bedrijf, schendt immers de vrijheid van dienstverlening zoals gegarandeerd door artikel 56 VWEU, ten nadele van de partnerartsen in Ierland.
De vraag rijst dan ook of een dergelijke beperking van de vrijheid van dienstverlening gerechtvaardigd kan worden op grond van de bescherming van de volksgezondheid, gezien het specifieke risico dat verbonden is aan behandeling op afstand.