Cassatie: bewijslast onterechte uitkering ligt bij ziekenfonds
De bewijslast dat een uitkering voor arbeidsongeschiktheid ten onrechte werd verkregen, ligt bij het ziekenfonds. Dat zegt het Hof van Cassatie.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Hof van Cassatie velde op 4 mei een arrest over de bewijslast met betrekking tot de terugbetaling van mogelijk ten onrechte verkregen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
In een geding tussen X en Solidaris had het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt op 27 februari 2024 geoordeeld dat X, die aanspraak maakt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, diende te bewijzen dat zij geen werkzaamheden had uitgevoerd.
Bewijslast ligt bij wie een ander in rechte aanspreekt
Krachtens artikel 101, paragraaf 2, eerste lid, van de ZIV-wet, moet de gerechtigde die arbeid heeft verricht zonder toestemming (van de adviserend arts), de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terugbetalen die hij heeft ontvangen voor de dagen of de periode waarin hij niet-toegestane arbeid heeft verricht.
Krachtens artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten te bewijzen die daaraan ten grondslag liggen.
Het Hof van Cassatie oordeelt dat uit deze wettelijke bepalingen volgt dat de verzekeringsinstelling die van de gerechtigde terugbetaling van de ontvangen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vordert wegens het verrichten van niet toegelaten arbeid, dient te bewijzen op welke dagen of in welke periode de betrokkene die arbeid heeft verricht.
Vernietiging
Volgens het Hof van Cassatie rechtvaardigden de beroepsrechters die oordeelden dat X verplicht was te bewijzen dat zij geen arbeid verrichtte, hun beslissing dat X geen recht had op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en dus de uitkeringen moest terugbetalen, niet rechtmatig.
Daarom werd dit deel van het arrest vernietigd en werd de zaak verwezen naar het arbeidshof in Gent.