Rekenhof geeft genuanceerd advies over wetsvoorstel om terugbetaling remgeld te verbieden
Het Rekenhof bracht advies uit over een wetsvoorstel dat ziekenfondsen wil verbieden om het wettelijk persoonlijk aandeel via hun aanvullende diensten terug te betalen. Het voorstel wil zo de oorspronkelijke rol van het remgeld herstellen.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven

Het Rekenhof bracht op 23 juli een advies uit over het wetsvoorstel van volksvertegenwoordigers Alexia Bertrand en Irina De Knop (Anders.) tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, om de tenlasteneming van het wettelijk persoonlijk aandeel via de aanvullende diensten te verbieden (Doc 56- 1555/001 en /002).
Herstel van het oorspronkelijk doel van het remgeld
De verplichte ziekteverzekering in België steunt op solidariteit. Patiënten betalen een wettelijk persoonlijk aandeel om overconsumptie van zorg te beperken. In de praktijk betalen ziekenfondsen echter steeds vaker dit persoonlijk aandeel gedeeltelijk of volledig terug via aanvullende verzekeringen. Door die terugbetalingen verdwijnt de financiële drempel voor patiënten, waardoor het responsabiliserende effect van het persoonlijk aandeel wegvalt. Dit leidt tot onnodige of overmatige zorgconsumptie. Dit wetsvoorstel heeft tot doel om het oorspronkelijke doel van het remgeld te herstellen door ziekenfondsen te verbieden om dit wettelijk persoonlijk aandeel nog terug te betalen via aanvullende voordelen en diensten.
Advies van het Rekenhof over de impact op het budget van de ziekteverzekering
- Geen rechtstreekse impact
De tenlasteneming van remgelden door een aantal ziekenfondsen is voor rekening van de aanvullende verzekering die aan het lidmaatschap is gekoppeld. Bijgevolg is er geen rechtstreekse impact op het budget van de verplichte ziekteverzekering.
- Onrechtstreekse impact op de verplichte verzekering niet te berekenen, maar plausibel
Het Rekenhof kan die onrechtstreekse impact om diverse redenen niet berekenen, namelijk;
a) Ontbrekende gegevens.
Noch bij het RIZIV noch bij de Controledienst der ziekenfondsen (CDZ) zijn voldoende gegevens beschikbaar. Het RIZIV meldt zelf slechts een beperkt zicht te hebben op de aard en omvang van deze terugbetalingen binnen de aanvullende diensten van de ziekenfondsen. De CDZ heeft wel een inventaris. Op basis van de voorlopige resultaten blijken 17 ziekenfondsen dergelijke terugbetalingen aan te bieden. De modaliteiten van de terugbetalingsregeling kunnen sterk verschillen. Deze kan beperkingen hebben, bv. inzake bepaalde types van gezondheidsproblemen, bepaalde types van zorg, de leeftijdscategorie van de verzekerde en de woonplaats van de verzekerde, of een combinatie. Soms wordt een vrijstelling bepaald, waardoor de tenlasteneming voor bepaalde prestaties hetzelfde effect heeft als een verlaagde maximumfactuur. Al die verrichtingen in de aanvullende verzekering worden echter in de jaarrekening van de ziekenfondsen geboekt onder prestaties aan de leden en zijn niet te herleiden tot een bepaald type product of dienst.
b) Ongekende correlatie tussen de hoogte van het remgeld en het zorggebruik
De relatie tussen de hoogte van het remgeld en het zorggebruik is niet gekend en kan evenmin worden berekend. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) heeft een aanbeveling geformuleerd om meer onderzoek te doen naar de gedragseffecten van een remgeldverandering op het gebruik van zorg, maar het Rekenhof heeft geen kennis van het mogelijk gevolg dat hieraan is gegeven. De bestaande studies tonen wel aan dat er ook andere factoren zoals uitgestelde zorg een rol spelen.
c) Ontbrekende invulling van de uitzondering voor rechthebbenden onder de 18 jaar
De uitgaven van de aanvullende verzekering die volgens het wetsvoorstel worden uitgesloten van het verbod zullen bij KB worden vastgesteld en zijn dus ook nog niet gekend.
Conclusie
Het Rekenhof benadrukt dat de vermindering van het remgeld door sommige ziekenfondsen geen rechtstreekse impact heeft op de uitgaven van de verplichte ziekteverzekering, maar bevestigt dat een onrechtstreekse impact plausibel is. Die onrechtstreekse financiële impact op de ziekteverzekering door een mogelijk gewijzigd zorggebruik kan niet worden geraamd door ontbrekende gegevens en onduidelijkheid over het verband tussen wijzigingen van het remgeld en het zorggebruik.