Ouderlijke toestemming voor therapie bij intrafamiliaal geweld?
Bestaande regelgeving laat opstart toe
De bestaande regelgeving laat vandaag al toe om bij intrafamiliaal geweld een behandeling te starten in het belang van het kind, ook als een van de ouders geen toestemming geeft. Dat zegt minister van Welzijn Caroline Gennez.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Vlaams Parlementslid Jeremie Vaneeckhout (Groen) stelde een schriftelijke parlementaire vraag aan minister Gennez over de doestemming van ouders voor de opstart van therapie voor een minderjarige bij intrafamiliaal geweld.
Controlerende ouder belemmert therapie
Volgens Vaneeckhout hindert de controlerende ouder in gezinnen waar sprake is van dwingende controle of intrafamiliaal geweld geregeld bewust de opstart van therapie voor de kinderen. Psychologen weigeren dan vaak zorg op te starten uit vrees voor juridische repercussies, zelfs als een kind dringend psychische hulp nodig heeft. Het Kinderrechtencommissariaat ontvangt structureel signalen hierover.
De bestaande regelgeving biedt in principe ruimte voor meer autonomie, maar die ruimte wordt in de praktijk onvoldoende benut.
Vragen aan de minister
Hij stelde de volgende vragen aan de minister:
- Is de minister van plan werk te maken van een duidelijke richtlijn voor de sector over wanneer de toestemming van slechts één ouder volstaat, met name in situaties van partnergeweld of dwingende controle?
- Welke stappen onderneemt de minister om therapeuten de juridische duidelijkheid en bescherming te bieden die hen toelaat zorg op te starten wanneer het belang van het kind dat vereist?
Bestaande regelgeving biedt ruimte
Volgens de minister biedt de bestaande regelgeving vandaag al ruimte om in dergelijke situaties te handelen vanuit het belang van het kind. Hulpverleners kunnen daarvoor terugvallen op verschillende wettelijke en professionele kaders, zoals het beroepsgeheim, de regelgeving rond verontrusting en kindermishandeling en het Decreet Rechtspositie Minderjarige.
Dat decreet vertrekt onder meer vanuit de participatierechten van minderjarigen en geeft kinderen en jongeren, in functie van hun leeftijd en maturiteit, een eigen stem in beslissingen over hun hulpverlening. Die kaders laten toe om in concrete situaties een individuele afweging te maken, rekening houdend met de veiligheid van het kind en de specifieke omstandigheden van het gezin.
Algemene richtlijn niet aangewezen
Gezien de grote diversiteit aan situaties lijkt een bijkomende algemene richtlijn de minister op dit moment niet de meest aangewezen weg. Elke situatie vraagt immers maatwerk en professionele oordeelsvorming.
Daarom blijft zij inzetten op kennisdeling, praktijkondersteuning en expertiseontwikkeling zodat hulpverleners zich voldoende ondersteund voelen om binnen de bestaande kaders de nodige beslissingen te nemen en kinderen en jongeren tijdig de hulp kunnen krijgen die zij nodig hebben.
Versterking van expertise en praktijkondersteuning
Daarnaast blijft de minister inzetten op de verdere versterking van expertise en praktijkondersteuning rond intrafamiliaal geweld en kindermishandeling. Initiatieven zoals de Kindreflex, de meldcode kindermishandeling en de werking van de Veilige Huizen ondersteunen hulpverleners bij het maken van afgewogen beslissingen in complexe situaties.
Veilige Huizen dragen bovendien bij aan een gedeelde risico-inschatting en een betere afstemming tussen hulpverlening, politie en justitie.
Patiëntenrechtenwet
Het is merkwaardig dat wat de bestaande regelgeving betreft niet wordt verwezen naar de Patiëntenrechtenwet. Artikel 12 bepaalt dat de rechten van de minderjarige patiënt worden uitgeoefend door de ouders. Wat het geven van toestemming betreft, wordt doorgaans aangenomen dat de toestemming van een ouder volstaat.
Bovendien moet de beroepsbeoefenaar op grond van artikel 15, § 2 van die wet afwijken van de beslissing van de ouder om een behandeling te weigeren, om een ernstige aantasting van de gezondheid van de minderjarige af te wenden.