Hof: Contingentering buitenlandse studenten schendt EU-recht
Franse Gemeenschap mag aantal buitenlandse studenten geneeskunde niet beperken
De beperking door de Franse Gemeenschap van het aantal buitenlandse studenten dat de studies geneeskunde mag beginnen, schendt het Europees recht. Dat zegt nu ook het Europees Hof van Justitie.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Hof van Justitie velde op 1 oktober een arrest in het geding tussen een Luxemburger en de Franse Gemeenschap over diens toelating tot de studie geneeskunde.
Artsenkrant berichtte reeds eerder over de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof, die oordeelde dat er sprake was van een schending van het Europees recht. Het Hof heeft zich daarbij aangesloten (Arrest C-131/25, ECLI:EU:C:2026:808).
De contingenteringsregeling
Een inwoner van GH Luxemburg had middelbaar onderwijs gevolgd in Aarlen en wilde zich nadien inschrijven aan een universiteit in België om daar geneeskunde te studeren. De Franse Gemeenschap weigerde hem het slaagattest te verlenen waarmee hij zich aan een faculteit geneeskunde in de Franse Gemeenschap zou kunnen inschrijven, ondanks het feit dat hij geslaagd was voor het ingangs- en toelatingsexamen voor medische en tandheelkundige wetenschappen. Zij beriep zich op de contingenteringsregeling voor niet-ingezeten studenten.
De student vocht deze beslissing aan bij de Belgische Raad van State. Hij argumenteerde dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van een student die als ‘ingezetene’ beschouwd wordt in artikel 1 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 16 juni 2006 over de regulering van het aantal studenten, aangezien hij zijn middelbaar onderwijs voltooid heeft en zijn middelbareschooldiploma in België behaald heeft.
Prejudiciële vraag
Alvorens een uitspraak te doen over de grond van de zaak stelde de Raad van State de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie:
verzetten het verbod van discriminatie (artikel 18 Verdrag Werking EU ) en het vrij verkeer van burgers (artikel 21 VWEU) zich tegen een quotaregeling voor de toegang tot de universitaire studie geneeskunde voor ‘niet-ingezeten’ studenten zoals die in de Franse Gemeenschap is ingevoerd om een hoogwaardige medische dienstverlening te handhaven en om de doelstellingen met betrekking tot een hoogwaardige opleidingsomgeving en de bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, gelet op het hoge aantal niet-ingezeten studenten die het grondgebied verlaten na afronding van hun medische opleiding?
Discriminatie van niet-verblijvende studenten niet redelijk verantwoord
Het decreet van de Franse Gemeenschap voert een verschil in behandeling tussen verblijvende en niet-verblijvende studenten in het leven, omdat hierbij niet-verblijvende studenten aan contingentering worden onderworpen en de toegang tot met name de opleiding geneeskunde voor hen wordt beperkt.
Die contingentering houdt in dat een bepaald aantal studenten toegang krijgt tot het eerste jaar van de opleiding geneeskunde als zij vóór de start van hun hoger onderwijs voldoen aan een woonplaatsvereiste waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk en voldoende verbonden zijn met de Belgische samenleving.
Dit kan ertoe bijdragen dat voldoende afgestudeerden zich na hun opleiding aan een universiteit van de Franse Gemeenschap op het grondgebied van die gemeenschap vestigen om daar het medische beroep uit te oefenen waarvoor zij zijn opgeleid.
Uit het dossier dat het Hof in handen heeft, en uit de debatten die tijdens de zitting zijn gehouden, blijkt dat niet overwogen is om een reële en daadwerkelijke band met België vast te stellen op basis van een ander criterium dan het woonplaatsvereiste.
Dat onderscheid tussen verblijvende en niet-verblijvende studenten op basis van hun nationaliteit houdt geen rekening met de reële en daadwerkelijke band die niet-verblijvende studenten hebben met België die voortvloeit uit het feit dat zij een groot deel van hun schoolopleiding in België hebben gevolgd en daar hun middelbareschooldiploma hebben behaald.
Dit onderscheid gaat verder dan noodzakelijk is om de beoogde legitieme doelstelling te bereiken. Bijgevolg voldoet dit onderscheid niet aan de vereisten die voortvloeien uit het evenredigheidsbeginsel.
Het Hof besluit daarom dat op de vraag van de Raad van State moet worden geantwoord dat artikel 18, eerste alinea, en artikel 21, lid 1, VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat die kandidaten voor inschrijving in het eerste jaar van de opleiding geneeskunde, die een groot deel van hun schoolopleiding in die lidstaat hebben voltooid en daar hun middelbareschooldiploma hebben behaald, terwijl zij in een andere lidstaat woonden, onderwerpt aan een contingentering die geldt voor niet-verblijvende studenten.