Interpretatie uit 1853 geldt nog steeds
Onbevoegde uitoefening van de geneeskunde niet altijd strafbaar
De onbevoegde uitoefening van de geneeskunde is in België strafbaar. Maar daarbij past een belangrijke nuance: volgens de wetgever moet het gaan om het 'gewoonlijk' verrichten van medische handelingen.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Om de geneeskunde te mogen beoefenen moet men krachtens artikel 3 § 1, eerste lid van de Gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUG-wet) beschikken over het diploma van arts, een visum hebben en ingeschreven zijn bij de Orde der artsen. De wet zegt het niet met zoveel woorden, maar wie niet aan deze voorwaarden voldoet, beoefent de geneeskunde onbevoegd.
Het tweede lid van deze bepaling luidt als volgt:
"Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk [nadruk toegevoegd, H.N.] verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysieke of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting."
De onbevoegde uitoefening van de geneeskunde is enkel onwettig en daarom strafbaar volgens artikel 122, § 1, 1°, eerste lid van de WUG, als het 'gewoonlijk' gebeurt.
Waarom de voorwaarde 'gewoonlijk'?
De voorwaarde van 'gewoonlijk' heeft haar oorsprong in de wet van 17 maart 1853. Deze wet moest de termen 'onbevoegde uitoefening van de geneeskunde' interpreteren in artikel 18 van de wet van 12 maart 1818 "ter regeling van hetgeen betrekkelijk is tot de uitoefening van de verschillende takken der Geneeskunde", die de uitoefening van de geneeskunde regelde tijdens het 'Hollandse tijdperk'.
Er was namelijk discussie gerezen of het stellen van één enkele onbevoegde handeling al volstond om strafbaar te zijn. Nederlandse juristen vonden dat een merkwaardige discussie, want voor hen was het eenvoudig: het werkwoord ‘uitoefenen’ wijst op beroepshalve handelen. Voor hen was de wet zonder meer duidelijk.
Niet in België dus: de wet van 17 maart 1853 interpreteerde ‘onbevoegd’ uitoefenen als 'gewoonlijk' uitoefenen zodat een eenmalige handeling niet als onbevoegd handelen kon worden beschouwd.
Het KB nr. 78 van 10 november 1967, dat de wet van 1818 ophief, integreerde deze interpretatie in de wettekst zelf. En zo kwam zij later ook in de WUG terecht.
In het Groothertogdom Luxemburg gold de wet van 1818 ook, maar daar geldt nog altijd dat één enkele onbevoegde handeling strafbaar is.
Wat betekent 'gewoonlijk'?
Het Hof van Cassatie overwoog in een arrest van 20 september 1937 dat een gewoonte zich kenmerkt ‘door de meervuldigheid der daden van de uitoefening der kunde’. Een of enkele handelingen volstaan dus niet om over een gewoonte te kunnen spreken. Dat arrest dateert uit de periode dat de wet van 1818 nog van toepassing was.
Ook in de rechtspraak sedert het KB nr. 78 is die interpretatie terug te vinden. Zo veroordeelde de correctionele rechtbank in Antwerpen op 27 juni 1974 een sportleraar wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde omdat hij ‘gewoonlijk (nl. veelvuldig en professioneel) de handelingen stelde die tot de acupunctuur behoren’.
In een andere zaak leidde het Hof van Beroep te Gent op 29 september 1980 ‘uit zijn menigvuldige tussenkomsten af dat het “gewoonlijk” verrichten als bewezen moet beschouwd worden’.
Hieruit en nog andere niet geciteerde uitspraken blijkt dat de opvatting aangaande de betekenis van gewoonlijk die werd aangehangen na de interpretatieve wet van 1853 ook na 1967 wordt aangehouden. En niets wijst erop dat dit na de WUG (2015) niet meer zo zou zijn.
Meer in H. Nys, Gezondheidszorgberoepen, 2020, p. 316-338.