Hoe armoede en gezondheid onze zorgcijfers werkelijk verklaren
De mythe van de luie Franstalige
Dr. Tom Zwaenepoel, directielid B Plus
Het pleidooi voor de splitsing van de gezondheidszorg als een dam tegen de massale toevloed van mensen in de verhoogde tegemoetkoming is een schoolvoorbeeld van hoe ideologische obsessie de feiten vertroebelt. Onder het mom van "nuancering" wordt een complex sociaal-economisch probleem gereduceerd tot een platte communautaire afrekening. Het is tijd om de grijsgedraaide plaat van de regionale transfers definitief af te zetten, en het debat over de werkelijke determinanten van onze gezondheidszorg aan te gaan.
In zijn betoog wijst Jurgen Constandt (voorzitter van het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds) op de oververtegenwoordiging van Brusselaars en Walen in het systeem van de verhoogde tegemoetkoming (VT). De suggestie is helder: er is sprake van een structurele "aderlating" waarbij Vlaanderen betaalt voor een vermeend gebrek aan responsabilisering aan de andere kant van de taalgrens.
De cijfers kloppen overigens: in Brussel heeft 34,15% van de inwoners recht op verhoogde tegemoetkoming, in Wallonië 23,49%, tegenover 16,86% in Vlaanderen. Ook het aantal invaliditeitsdagen is hoger in Franstalig België.
Maar de conclusie dat dit een communautair probleem is, is niet alleen ongenuanceerd — ze is fout. Want de echte vraag is: waardoor zijn die verschillen er? En de antwoorden liggen niet in de taal die mensen spreken, maar in de straat waar ze wonen.
Armoede spreekt geen taal
Eerste rechtzetting: het statuut van verhoogde tegemoetkoming is niet opgericht als beloning voor luiheid, maar fungeert als een sociaal vangnet voor wie dit het hardst nodig heeft. Het statuut wordt toegekend op basis van inkomen, niet van afkomst of taal. In Brussel leeft 25% van de bevolking in armoede, in Wallonië 18%, in Vlaanderen 11%. De werkzaamheidsgraad voor 20- tot 64-jarigen bedraagt 77,3% in Vlaanderen, maar daalt tot 67,9% in Wallonië en 63,9% in Brussel. Wie in precaire omstandigheden leeft, heeft vaker recht op steun, en dat is precies de bedoeling van een solidair systeem.
Constandt stelt voor om de ziekteverzekering te splitsen, zodat de regio’s geresponsabiliseerd worden. Maar wat als Wallonië of Brussel die last niet kunnen dragen? Een euro kan je maar één keer uitgeven, stelt hij. Inderdaad. En als we de verzekering splitsen, zullen die regio’s minder middelen hebben om hun meest kwetsbare inwoners te beschermen. Dat is geen oplossing, dat is communautaire kastijding op de rug van de zwakste regio’s – en hun inwoners.
Internationale data tonen immers aan dat een gebrek aan toegankelijke zorg bij kwetsbare groepen op termijn leidt tot veel hogere kosten door spoedopnames en chronische verwaarlozing. Solidariteit is hier geen gunst, maar een efficiëntie-instrument.
De mythe van de "luie" Franstaligen
Ook de cijfers over invaliditeit worden door Constandt tendentieus geframed. Hij stelt dat er "geen objectieve reden" is voor de verschillen in invaliditeitsdagen tussen de regio’s. Dit is wetenschappelijk aantoonbaar onjuist. Academisch onderzoek (onder andere KU Leuven, UCL, Sciensano en IWEPS) wijst steevast op de impact van de arbeidsmarktstructuur. In Wallonië werkten historisch gezien veel meer mensen in de zware industrie en de mijnbouw — sectoren met een enorme fysieke slijtage.
Daarnaast is er het "Healthy Worker Effect": in regio’s met een lagere werkzaamheidsgraad zijn degenen die uit de boot vallen vaak de laagstgeschoolden met de slechtste gezondheidsprofielen. Invaliditeit is voor het overgrootste deel van de betrokkenen geen "keuze" of een gebrek aan moraal; het is het resultaat van decennia aan industriële geschiedenis en een lagere gezonde levensverwachting bij kortgeschoolden.
Interpersoonlijke solidariteit versus nationalistische boekhouding
Het meest misleidende argument in het discours van de VNZ-voorzitter is de berekening van de bijdrage-kloof. Door toehoorders voor te spiegelen dat een Vlaming gemiddeld meer bijdraagt dan een Franstalige, negeert hij – bewust want allerminst voor de eerste maal – het fundament van onze sociale zekerheid: interpersoonlijke solidariteit. Onze ziekteverzekering is niet gebaseerd op een transfer tussen Vlaams naar Franstalig, maar op het principe dat sterke schouders de zwaarste lasten dragen. Een rijke inwoner van Waals-Brabant draagt meer bij dan een minder bedeelde Vlaming uit de Westhoek. Het gaat hier dus, samengevat, niet over "transfers van Noord naar Zuid", maar een transfer van "hoog naar laag inkomen".
Bovendien is dit een momentopname die de aankomende vergrijzing negeert. Vlaanderen vergrijst sneller dan Brussel en delen van Wallonië. Binnen afzienbare tijd zal de kost van pensioenen en ouderenzorg in Vlaanderen exponentieel stijgen. De solidariteit waar Constandt nu de bijl in wil zetten, zal Vlaanderen in de nabije toekomst harder nodig hebben dan ooit. De (opnieuw: artificiële) rollen van Franstalige "netto-ontvanger" versus Vlaamse "netto-betaler" zullen door de demografie onvermijdelijk kantelen.
De illusie van de splitsing
De voorgestelde oplossing — de volledige regionalisering van de ziekte- en invaliditeitsverzekering — is hét recept voor inefficiëntie. In de verzekeringswereld zijn schaalvoordelen en risicospreiding de enige garanties op robuustheid. Een versnipperd systeem met drie verschillende administraties leidt enkel tot meer bureaucratie en een zwakkere positie voor de patiënt.
Wat de burger echt wil
Terwijl nationalistische bewegingen zoals het Vlaams (maar allesbehalve Neutraal) Ziekenfonds blijven hameren op splitsing, vraagt de burger om precies het tegenovergestelde. Verschillende peilingen (Ipsos 2020, VRT 2021) tonen aan dat een overweldigende meerderheid van de Belgen — inclusief een meerderheid van de Vlamingen — voorstander is van herfederalisering van de gezondheidszorg. Zij lijken te begrijpen waar de discussie over verhoogde tegemoetkomingen en invaliditeitsdagen werkelijk om draait. Dit is geen communautair probleem. Dit is een sociaal probleem, veroorzaakt door armoede, gezondheidsongelijkheid en structurele economische verschillen. Wie die verschillen wil aanpakken, moet investeren in onderwijs, gezondheid en tewerkstelling, niet in splitsing.